Waarborgen Informatie voor financiële instellingen

Hoe werkt de waarborgregeling?

Figuur 1: mechanisme toekenning waarborgquotum

Op voorstel van PMV/z-Waarborgen doet de Vlaamse minister van Economie op regelmatige basis (minstens éénmaal per jaar) een oproep om te achterhalen welke financiële instellingen belangstelling vertonen om een overheidswaarborg te ontvangen. Aan de instellingen die reageren op de oproep en die voldoen aan de gestelde voorwaarden, wordt een totaal bedrag aan op te nemen waarborgen (= waarborgquotum)toegekend. De financiële instellingen die een waarborgquotum toegekend krijgen, worden aangeduid als “waarborghouders”. Elke waarborghouder sluit een raamovereenkomst af met Waarborgbeheer nv. Die raamovereenkomst bevat de gedetailleerde voorwaarden die aan de waarborg verbonden zijn.

 

Figuur 2: mechanisme waarborgtoekenning

Waarborghouders kunnen – binnen de voorwaarden die aan de waarborg zijn verbonden – tot maximaal 75 % van het kredietbedrag van kmo’s en grote ondernemingen onder toepassing van de waarborg brengen. Voorwaarde is wel dat deze verbintenissen voortvloeien uit financieringsovereenkomsten die aan het regelgevend kader en aan de afspraken uit de raamovereenkomst voldoen. Om een dossier onder de waarborg te brengen dient aan PMV/z-Waarborgen een premie in functie van het bedrag en de duurtijd van de waarborg betaald te worden. Per onderneming kan ten hoogste 750.000 euro aan verbintenissen onder toepassing van een waarborg worden gebracht. Dat bedrag kan eventueel worden overschreden, tot een maximumbedrag van 1.500.000 euro, na grondig onderzoek door PMV/z-Waarborgen en mits goedkeuring van de Vlaamse minister van Economie.

Figuur 3: mechanisme afroep

Als een ondernemer kredieten aangaat met tussenkomst van PMV/z-Waarborgen en in gebreke blijft, betaalt PMV/z-Waarborgen een provisie aan de financiële instelling “waarborghouder” ten belope van het gewaarborgde percentage (maximum 75 %) van het bedrag waarvoor de ondernemer in gebreke blijft. De tussenkomst van PMV/z-Waarborgen heeft betrekking op het uitstaande bedrag bij opzegging in hoofdsom. Dit is het theoretisch openstaand kapitaal, vermeerderd met maximaal één jaar achterstallige interesten en achterstallig kapitaal.

De waarborghouder blijft verantwoordelijk voor het uitwinnen van het kredietdossier, o.a. via verzilvering van de andere zekerheden, verbonden aan de financiering in kwestie. De waarborghouder moet die uitgewonnen waarborgen pro rata een verdeelsleutel doorstorten aan PMV/z-Waarborgen.

 

De verdeelsleutel wordt berekend op basis van de verhouding tussen de door Waarborgbeheer uitbetaalde tussenkomst en het totaal in aanmerking komende debetsaldo bij opzegging

 

Waarvoor dient een raamovereenkomst?

Het maximumbedrag wordt bepaald door twee elementen.

Enerzijds is het bedrag dat per onderneming onder de waarborg wordt gebracht beperkt tot maximaal 1.500.000 euro.

Anderzijds wordt het bedrag ook beperkt door het “brutosubsidie-equivalent”. Sinds 1 januari 2008 is de Waarborgregeling onderworpen aan de regels betreffende de-minimissteun. Dit betekent dat het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan één onderneming wordt verleend niet hoger mag liggen dan 200.000 euro over een periode van drie belastingjaren. Voor ondernemingen die actief zijn in het goederenvervoer over de weg, voor rekening van derden, mag dit niet hoger zijn dan 100.000 euro over een periode van drie belastingjaren. Bovenstaande steunplafonds worden als een subsidiebedrag uitgedrukt. Wanneer steun in een andere vorm dan subsidies wordt verleend, is het bedrag aan de-minimissteun het brutosubsidie-equivalent van de toegekende steun.

Voor de Waarborgregeling wordt het brutosubsidie-equivalent als volgt berekend:

Brutosubsidie-equivalent = verleend waarborgbedrag x 26,666667 % x duurtijd / 10

Bereken hier het brutosubsidie-equivalent (BSE)

Als een onderneming een andere vorm van staatssteun verkregen heeft voor bepaalde kosten en zij wenst beroep te doen op de Waarborgregeling voor een krediet afgesloten voor de financiering van andere kosten of investeringen, is cumulatie mogelijk.

Indien aan een onderneming zowel de-minimissteun als andere vorm van staatssteun wordt toegekend voor eenzelfde project / dezelfde kosten is cumulatie mogelijk mits de som, verkregen via beide steunmaatregelen (de-minimissteun + andere vorm van staatssteun), beneden de respectievelijke maxima liggen.

Kunt u een waarborg combineren met een Startlening+ of een KMO-cofinanciering?

De waarborg tot 1,5 miljoen euro kunt u combineren met een Startlening+ of een KMO-cofinanciering, maar u moet nagaan of bovenvermelde maxima niet overschreden worden.

Opgelet: bij het afsluiten van een Startlening+ of een KMO-cofinanciering wordt een andere formule gebruikt om het brutosubsidie-equivalent te berekenen: bedrag van de Startlening (of KMO-cofinanciering x [(referentie-interestvoet (*) – I(**) %) + 4 % (***)] = brutosubsidie-equivalent

(*) door de Europese Commissie vastgelegd, terug te vinden op volgende site: ec.europa.eu

(**) interestvoet Startlening+ of een KMO-cofinanciering

(***) percentage vastgelegd door de Europa voor achtergestelde leningen ingeval van berekening brutosubsidie-equivalent (momenteel vastgelegd op 4%)

Voorbeeld:

In jaar 1 verkreeg een kmo een KMO-cofinanciering van 150.000 euro. De rente voor deze lening bedroeg 3 %.

In jaar 2 verkrijgt de kmo van haar bank een krediet van 1.000.000 euro waarvoor een waarborgbedrag wordt gevraagd van 750.000 euro voor 6 jaar. Bij toestaan van het krediet door de bank dient nagegaan te worden of de kmo de maxima betreffende de tussenkomst van Waarborgbeheer nv en de de-minimissteun niet overschrijdt.

Totaal bedrag aan de-minimissteun = steun KMO-cofinanciering + steun Waarborgregeling

Steun KMO-cofinanciering: in jaar 2 bedraagt het uitstaande kapitaal 125.000 euro. Het brutosubsidie-equivalent van deze lening bedraagt:

125.000 euro x [(0,12 % – 3%) + 4 %] = 1.400 euro

BSE Waarborgregeling = 750.000 euro x 26,666667 % x 6/10 = 120.000 euro

Totale de-minimissteun = 1.400 euro + 120.000 euro = 121.400 euro

Besluit: Indien de onderneming niet actief is in het wegvervoer wordt het maximale steunbedrag niet overschreden. Indien de onderneming wel actief is in het wegvervoer kan slechts een waarborg verleend worden van 4 jaar (BSE = 80.000 euro) of slechts een waarborgbedrag van 575.000 euro voor 6 jaar (BSE = 92.000 euro).

Externe FAQ voor de waarborghouders

Wat is een ‘onderneming’ in het kader van de Waarborgregeling?

De Waarborgregeling moet voldoen aan de vereisten van de de-minimisverordening (http://ec.europa.eu/competition/state_aid/legislation/de_minimis_regulation_nl.pdf ). Een onderneming is, voor de toepassing van de Europese mededingingsregels van het Verdrag, elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij gefinancierd wordt.

De huidige de-minimisverordening bepaalt bovendien dat "één onderneming" alle ondernemingen omvat die ten minste één van de volgende banden met elkaar onderhouden:

a) één onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming;

b) één onderneming heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;

c) één onderneming heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met die onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van laatstgenoemde onderneming;

d) één onderneming die aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming, heeft op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van laatstgenoemde onderneming.

Ondernemingen die via één of meer andere ondernemingen één van de in de eerste alinea, onder a) tot en met d), bedoelde banden onderhouden, worden ook als één onderneming beschouwd.

 

Zijn vzw’s toegelaten?

Ja, mits ze kunnen aantonen dat ze een onderneming zijn die, in de zin van het Europese recht, een "economische activiteit" uitoefent.

 

Wat is een ‘onderneming in moeilijkheden’ in het kader van de generieke Waarborgregeling?

De de-minimisverordening bevat geen definitie van dit begrip. Relevant voor deze vraag is wel de volgende bepaling van de de-minimisverordening:

"Steun vervat in garanties wordt als transparante de-minimissteun behandeld indien:

tegen de begunstigde geen collectieve insolventieprocedure loopt en hij niet voldoet aan de criteria volgens het nationale recht om, op verzoek van zijn schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. In geval van grote ondernemingen verkeert de begunstigde in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van ten minste B- , …"

Er is geen uitzondering (meer) voor starters en geactiveerde slapende vennootschappen.

 

Kan een onderneming, die werkt onder de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen (WCO), en die een nieuw krediet verkrijgt, beroep doen op de Waarborgregeling?

Neen. Artikel 5, §5 van het waarborgdecreet voorziet dat alle verbintenissen en de waarborgen moeten voldoen aan de de-minimisverordening (en ook de raamovereenkomst voorziet dit in art. 4.1.1 a). Concreet wil dit zeggen dat er geen waarborgen mogen gegeven worden aan ondernemingen die niet voldoen aan de hierboven geciteerde bepaling van de de-minimisverordening. Bijgevolg kan geen waarborg verleend worden wanneer de onderneming onder een collectieve insolventieprocedure valt, zoals de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen (WCO), met uitzondering van de WCO-procedure onder minnelijk akkoord.

 

Kan een onderneming, die uit de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen (WCO) komt, en die een nieuw krediet verkrijgt, beroep doen op de Waarborgregeling?

Ook na het doorlopen van de WCO zal moeten afgetoetst worden of de onderneming voldoet aan de voorwaarden van de de-minimisverordening. Het verlenen van een waarborg is dus niet uitgesloten na een dergelijke procedure, maar de toetsing van de parameters van de de-minimisverordening zal moeten gebeuren.

 

Welke sectoren zijn uitgesloten?

1. Op basis van de-minimisverordening zijn de ondernemingen uit volgende sectoren uitgesloten:

a) ondernemingen uit de sector visserij en aquacultuur, voor zover die onder Verordening (EG) nr. 104/2000 vallen;

b) ondernemingen uit de sector van de productie van landbouwproducten;

c) ondernemingen uit de sector verwerking en afzet van landbouwproducten, in de volgende gevallen:

i) wanneer het waarborgbedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van dergelijke van primaire producenten afgenomen producten die door de betrokken ondernemingen op de markt worden gebracht;

ii) wanneer de waarborg afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat deze steun geheel of ten dele aan primaire producenten wordt doorgegeven;

d) ondernemingen die een waarborg willen bekomen voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten van de EU, met name wanneer de waarborg direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, en waarborgen verleend voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of andere lopende uitgaven in verband met werkzaamheden op het gebied van uitvoer;

e) wanneer de waarborg afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen.

Wanneer een onderneming actief is in de in lid 1, onder a), b) of c), bedoelde sectoren en ook actief is in één of meer andere sectoren of andere activiteiten verricht kan een waarborg worden verleend mits ervoor is gezorgd, met passende middelen zoals een scheiding van de activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, dat de activiteiten in de van het toepassingsgebied van de de-minimis uitgesloten sectoren geen Waarborgregeling genieten.

f) voor ondernemingen uit de sector goederenvervoer voor derden over de weg is een waarborg voor een krediet met als doel investering in rollend materiaal uitgesloten. Voor dergelijke ondernemingen wordt het plafond van het bruto-subsidie-equivalent gehalveerd tot 100.000 euro (waarborg t.e.m. 5 jaar van maximaal 750.000 euro en langer dan 5 jaar t.e.m. 10 jaar maximaal 375.000 euro) voor andere investeringen dan investeringen in rollend materiaal.

 

Kan een financieringsovereenkomst onder de waarborg gebracht worden als ze wordt toegestaan aan twee vennootschappen, waarvan er één tot een uitgesloten sector behoort?

Ja, op voorwaarde dat de gewaarborgde financiering niet voor een investering in een uitgesloten sector gebruikt wordt.

 

Waar dient de gefinancierde investering of activiteit plaats te vinden?

Het moet gaan om een investering op het grondgebied van het Vlaams gewest of activiteiten van een in het Vlaams gewest gelegen exploitatiezetel van de betrokken onderneming.

 

Hoe wordt de definitie "hinder ondervinden als gevolg van openbare werken" geïnterpreteerd?

Vanaf 6/5/2009 is volgende procedure van kracht: de kredietnemer beschikt over een hinderattest, uitgereikt door het Agentschap Ondernemen met hierin een verklaring van de stad of de gemeente waar de getroffen exploitatiezetel ligt, dat de kredietnemer gedurende ten minste 1 maand, zonder onderbreking, moeilijk bereikbaar is voor de klanten en de leveranciers als gevolg van werkzaamheden, uitgevoerd op het openbare domein, of werkzaamheden van openbaar nut.

De aanvraag tot het bekomen van een overheidswaarborg moet gebeuren binnen de 6 maanden na beëindiging van de openbare werken, en binnen de 3 maanden na de ondertekening van de kredietovereenkomst.

 

Een natuurlijke persoon koopt een woning aan voor verhuur aan een onderneming. Kan hij hiervoor een krediet met tussenkomst van Waarborgbeheer nv krijgen?

PMV/z-Waarborgen kan alleen een waarborg verlenen als de natuurlijke persoon de woning aankoopt in het kader van zijn eigen economische activiteit.

 

Welke overnamescenario’s kunnen onder toepassing van de Waarborgregeling gebracht worden?

  • een vennootschap wordt overgenomen door een natuurlijke persoon (= overname aandelen waarbij de natuurlijke persoon werkende vennoot zal zijn). Een loutere aankoop van aandelen als beleggingsvorm door een natuurlijke persoon (dus louter een stille vennoot=geldschieter) komt uiteraard niet in aanmerking
  • een vennootschap wordt overgenomen door een holding
  • een eenmanszaak wordt overgenomen door een natuurlijke persoon
  • een eenmanszaak wordt overgenomen door een vennootschap

(Deze opsomming is niet beperkend)

 

Wat wordt bedoeld met volgend uittreksel van het 2e Waarborgbesluit?

‘De verbintenissen van de kredietnemer, voortvloeiend uit financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen die strekken tot het verschaffen van middelen bestemd voor de betaling van achterstallige of al bestaande schulden, kunnen niet onder toepassing van een waarborg worden gebracht.’

De financiële middelen die in het kader van de financieringsovereenkomst of andere verrichting aan de kredietnemer ter beschikking worden gesteld, mogen niet worden bestemd voor de betaling van achterstallige of al bestaande niet bancaire schulden die reeds 3 maanden voorafgaand aan het toestaan van de financieringsovereenkomst of andere verrichting bestaan.

Alle niet bancaire schulden zoals bijvoorbeeld facturen met een factuurdatum van maximum 3 maanden oud (te rekenen vanaf datum ondertekening akte) komen in aanmerking.

Een financieringsovereenkomst of andere verrichting die afgesloten is voor de terugbetaling van al bestaande of achterstallige bancaire schulden (op datum ondertekening akte), kan niet onder de waarborg gebracht worden.

 

Kan een bestaande lijn (bijvoorbeeld 100.000 euro) die nog niet onder de waarborg werd gebracht en die nu verhoogd wordt met 20.000 euro onder de waarborg worden gebracht?

Neen. Enkel de verhoging (20.000 euro) kan onder de waarborg worden gebracht.

Dit geldt zowel voor lijnen met een bepaalde duur als voor lijnen met een onbepaalde duur.

Waarborgbeheer nv zal de verhoging van het kaskrediet beschouwen als een nieuw krediet. Bij een eventuele afroep wordt de tussenkomst berekend op het bedrag van de verhoging.

 

Moet een waarborghouder wachten om de waarborg aan te vragen tot de aktes hypotheek en mandaat verleden zijn? Mag een waarborghouder de waarborg niet aanvragen als kredietbrief en overeenkomst van het investeringskrediet getekend zijn?

De verbintenis voor een hypothecair krediet kan niet bij Waarborgbeheer nv worden aangemeld vóór de datum van het verlijden van die authentieke akte.

Als een hypothecair krediet met tussenkomst van Waarborgbeheer nv wordt uitbetaald, dan dient de bankcheque die de waarborghouder uitgeeft bij het verlijden van de akte voor het hypothecair krediet rechtstreeks te worden uitgeschreven van dit krediet.

 

Mag een waarborghouder al geld ter beschikking stellen aan de klant voordat de waarborg aangevraagd is en voordat de andere zekerheden gevestigd zijn?

Indien een krediet wordt aangevraagd met als doel een aankoop, en het object van de aankoop in pand wordt gegeven, dan kan geen inpandname van het object van de aankoop plaatsvinden vooraleer men dit object in het bezit heeft.

In dit geval kan het krediet worden uitbetaald vóór de vestiging van deze waarborgen. Deze procedure kan worden toegepast op 2 voorwaarden:

¬ de waarborghouder dient daarbij de eigen procedures te volgen;

¬ de waarborghouder dient erop toe te zien dat hij alles in het werk stelt om de zekerheden correct te vestigen. Als de zekerheden niet correct gevestigd kunnen worden, dient de waarborghouder dit te signaleren aan Waarborgbeheer nv.

 

Moet men, in geval van overname van aandelen, de meerderheid van de aandelen overnemen om beroep te kunnen doen op de Waarborgregeling?

Neen, zelfs als men maar 1 aandeel overneemt, kan men beroep doen op de Waarborgregeling, op voorwaarde dat het gaat om een investering in het Vlaams Gewest of een activiteit van een in het Vlaams Gewest gelegen exploitatiezetel van een onderneming.

 

Kan PMV/z-Waarborgen tussenkomen voor een krediet aan een patrimoniumvennootschap die doorleent aan een holding die opnieuw doorleent aan een exploitatievennootschap?

Ja, dat is mogelijk, voor zover de exploitatiemaatschappij (i.e. de finale ontvanger van de gelden) de gelden niet aanwendt voor terugbetaling van bestaande schulden.

Voorbeeld van een dergelijke constructie:

Een investeringskrediet van 500.000 euro wordt toegestaan aan een patrimoniumvennootschap, die het geld doorleent aan een holdingmaatschappij, die het op haar beurt doorleent aan een exploitatiemaatschappij. De exploitatiemaatschappij zal het krediet gebruiken voor opstart en verruiming van haar activiteiten. Voor het investeringskrediet wordt een waarborg gevraagd bij Waarborgbeheer nv.

 

Contactinformatie

Meer informatie over de Waarborgregeling en over de voorwaarden waaraan financiële instellingen moeten voldoen om waarborghouder te worden, kunt u krijgen bij:

PMV/z-Waarborgen
Oude Graanmarkt 63
1000 Brussel

02 229 52 77

Zesentwintigste oproep tot de financiële instellingen – verlenging

PMV/z-Waarborgen nv vestigt de aandacht van de financiële instellingen, maatschappijen voor onderlinge borgstelling, leasingmaatschappijen en kredietverlenende vennootschappen voor de sociale economie op de Waarborgregeling voor grote ondernemingen van het Vlaamse Gewest.

De Waarborgregeling voor grote ondernemingen van het Vlaamse Gewest wordt omschreven in verschillende regelgevende teksten. Die regelgevende teksten worden, na goedkeuring door de bevoegde instanties, gepubliceerd op de website www.pmvz.eu/#waarborgen.

 De minister zal voor de waarborghouders, aan wie een waarborg werd toegekend naar aanleiding van oproep zesentwintig, de geldigheidsperiode van oproep zesentwintig verlengen tot en met 31 december 2019.

Overeenkomstig artikel 8, §2, 10°, van het Waarborgdecreet werden de waarborgen onder oproep zesentwintig voorwaardelijk toegekend. Overeenkomstig artikel 5, §4, van het ministerieel besluit of het ministerieel besluit Waarborgregeling Leasingmaatschappijen betekent die voorwaardelijke toekenning dat het toegekende waarborgbedrag van een waarborghouder geheel of gedeeltelijk kan worden teruggenomen als tijdens periodieke evaluaties wordt vastgesteld dat het effectief gebruikte waarborgpercentage van de waarborghouder lager is dan de minimumgrens. De som van de teruggenomen waarborgbedragen van alle waarborghouders wordt herverdeeld onder de waarborghouders voor wie is gebleken dat het effectief gebruikte waarborgpercentage hoger ligt dan de maximumgrens.

In artikel 5, §5, 3°, van het ministerieel besluit of het ministerieel besluit Waarborgregeling Leasingmaatschappijen wordt bepaald hoe die verdeling zal plaatsvinden. Naar aanleiding van de verlenging van de geldigheidsperiode van oproep zesentwintig, zal een bijkomende evaluatie plaatsvinden op 30 juni 2019 en op 30 september 2019.

De minimumgrens (MinG) en de maximumgrens (MaxG) worden op 30 juni 2019 als volgt berekend:

MinG = het lineair gebruikte waarborgpercentage – 15%

MaxG = het lineair gebruikte waarborgpercentage + 10%

De minimumgrens (MinG) en de maximumgrens (MaxG) worden op 30 september 2019 als volgt berekend:

MinG = het lineair gebruikte waarborgpercentage – 10%

MaxG = het lineair gebruikte waarborgpercentage + 5%

Het lineair gebruikte waarborgpercentage is gedefinieerd in het ministerieel besluit of in het ministerieel besluit Waarborgregeling Leasingmaatschappijen.

Voor meer informatie over de verlenging van deze oproep en over de formaliteiten die vervuld moeten worden, kunt u terecht bij PMV/z-Waarborgen nv, Oude Graanmarkt 63, 1000 Brussel. U kunt ook bellen naar 02 229 52 60, of surfen naar www.pmvz.eu/#waarborgen.

 

Negenentwintigste oproep tot de financiële instellingen

PMV/z - Waarborgen nv vestigt de aandacht van financiële instellingen, maatschappijen voor onderlinge borgstelling, leasingmaatschappijen en kredietverlenende vennootschappen voor de sociale economie op de Waarborgregeling voor kmo’s van het Vlaamse Gewest.

De Waarborgregeling voor kmo’s bestaat uit:

  • het decreet van 6 februari 2004 betreffende een waarborgregeling voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen, met inbegrip van alle latere wijzigingen (het Waarborgdecreet);
  • het besluit van de Vlaamse Regering van 18 februari 2005 betreffende bepaalde procedurele aspecten van de waarborgregeling voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen, met inbegrip van alle latere wijzigingen (het Tweede Waarborgbesluit);
  • het besluit van de Vlaamse Regering van 27 mei 2005 betreffende bepaalde procedurele aspecten van de waarborgregeling voor kleine en middelgrote ondernemingen die hinder ondervinden als gevolg van openbare werken, met inbegrip van alle latere wijzigingen (het Derde Waarborgbesluit);
  • het besluit van de Vlaamse Regering van 27 maart 2009 betreffende bepaalde procedurele aspecten van de waarborgregeling voor kleine, middelgrote en grote ondernemingen met betrekking tot de leasingmaatschappijen, met inbegrip van alle latere wijzigingen (het Vierde Waarborgbesluit);
  • het ministerieel besluit van 22 februari 2005 tot uitvoering van bepaalde bepalingen van het Tweede Waarborgbesluit, met inbegrip van alle latere wijzigingen (hierna het ministerieel besluit te noemen);
  • het ministerieel besluit van 8 juni 2005 tot uitvoering van bepaalde bepalingen van het Derde Waarborgbesluit, met inbegrip van alle latere wijzigingen (hierna het ministerieel besluit Waarborgregeling Openbare Werken te noemen);
  • het ministerieel besluit van 6 mei 2009 tot uitvoering van bepaalde bepalingen van het Vierde Waarborgbesluit, met inbegrip van alle latere wijzigingen (hierna het ministerieel besluit Waarborgregeling Leasingmaatschappijen te noemen).
  •  

De bovenstaande regelgevende teksten worden, na goedkeuring door de bevoegde instanties, gepubliceerd op www.pmvz.eu/#waarborgen.

De Vlaamse minister van Economie, lanceert namens de Vlaamse Regering een oproep om te achterhalen welke financiële instellingen, maatschappijen voor onderlinge borgstelling, leasingmaatschappijen en kredietverlenende vennootschappen voor de sociale economie waarborghouder willen worden om waarborgen te kunnen koppelen aan financieringsovereenkomsten, leasingovereenkomsten of andere verrichtingen met een kmo. Deze oproep geeft uitvoering aan de volgende wettelijke bepalingen:

  • artikel 8, §1, van het Waarborgdecreet;
  • artikel 2 van het Tweede Waarborgbesluit;
  • artikel 2 van het Derde Waarborgbesluit;
  • artikel 2 van het Vierde Waarborgbesluit.

 

Voor de toepassing van deze oproep worden dezelfde definities gehanteerd als in de Waarborgregeling.

De voorwaarden van de oproep zijn opgesplitst in deel A, deel B en deel C. Het maximumbedrag van het geheel van de waarborgen die de Vlaamse Regering naar aanleiding van deze oproep zal verlenen, geldt voor deel A, B en C en zal volledig over die delen verdeeld worden. De voorwaarden van deel A, B of C gelden naargelang financieringsovereenkomsten, leasingovereenkomsten of andere verrichtingen onder de toepassing van de waarborg worden gebracht overeenkomstig het Tweede, Derde of Vierde Waarborgbesluit. Het maximumbedrag van het geheel van de waarborgen die de Vlaamse Regering naar aanleiding van deze oproep zal verlenen, bedraagt 350 miljoen euro (voor deel A, B en C samen) en zal verdeeld worden onder de kandidaat-waarborghouders overeenkomstig de verdeelsleutel, vermeld in artikel 5 van het ministerieel besluit, het ministerieel besluit Waarborgregeling Openbare Werken of het ministerieel besluit Waarborgregeling Leasingmaatschappijen.

Overeenkomstig artikel 5, §1, 4°, van de bovenvermelde ministeriële besluiten wordt voor deze oproep bepaald dat het benchmark, dat een van de onderdelen van de verdeelsleutel is, uit de volgende parameters bestaat:

a/ het waarborgpercentage: voor elke kandidaat-waarborghouder wordt op basis van het voortschrijdend gemiddelde over de laatste twee jaar de verhouding berekend tussen het totale bedrag van de verbintenissen van de kmo’s bij die kandidaat-waarborghouder en het totale bedrag van de verbintenissen dat onder de waarborg is gebracht. Bij de berekening van dat percentage wordt geen rekening gehouden met dossiers die onderworpen zijn aan een andere regeling dan de Waarborgregeling. Dat percentage wordt het waarborgpercentage genoemd;

b/ het opzeggingspercentage: voor elke kandidaat-waarborghouder wordt de verhouding berekend tussen het totaal van het aantal onder een waarborg gebrachte financieringsovereenkomsten, leasingovereenkomsten of andere verrichtingen in de periode van twee jaar voor de datum van de publicatie van de oproep en het totaal van het aantal van de in die periode opgezegde financieringsovereenkomsten, leasingovereenkomsten of andere verrichtingen waarvoor de waarborg is afgeroepen. Het aldus verkregen percentage wordt met factor drie vermenigvuldigd. Bij de berekening van dat percentage wordt geen rekening gehouden met dossiers die onderworpen zijn aan een andere regeling dan de Waarborgregeling. Dat percentage wordt het opzeggingspercentage genoemd;

c/ het uitbetalingspercentage: voor elke kandidaat-waarborghouder wordt de verhouding berekend tussen het bedrag aan uitbetaalde tussenkomsten voor de onder de waarborg gebrachte financieringsovereenkomsten, leasingovereenkomsten of andere verrichtingen en het totaal van het toegekende waarborgbedrag. Bij de berekening van dat percentage wordt geen rekening gehouden met dossiers die onderworpen zijn aan een andere regeling dan de Waarborgregeling. Dat percentage wordt het uitbetalingspercentage genoemd;

Overeenkomstig artikel 8, §2, 10°, van het Waarborgdecreet worden de waarborgen voorwaardelijk toegekend. Overeenkomstig artikel 5, §4, van het ministerieel besluit, het ministerieel besluit Waarborgregeling Openbare Werken of het ministerieel besluit Waarborgregeling Leasingmaatschappijen betekent die voorwaardelijke toekenning dat het toegekende waarborgbedrag van een waarborghouder geheel of gedeeltelijk kan worden teruggenomen als tijdens periodieke evaluaties wordt vastgesteld dat het effectief gebruikte waarborgpercentage van de waarborghouder lager is dan de minimumgrens. De som van de teruggenomen waarborgbedragen van alle waarborghouders wordt herverdeeld onder de waarborghouders voor wie is gebleken dat het effectief gebruikte waarborgpercentage hoger ligt dan de maximumgrens.

 In artikel 5, §5, 3°, van het ministerieel besluit, het ministerieel besluit Waarborgregeling Openbare Werken of het ministerieel besluit Waarborgregeling Leasingmaatschappijen wordt bepaald hoe die verdeling zal plaatsvinden.

Overeenkomstig artikel 5, §4, wordt voor deze oproep bepaald dat evaluaties zullen plaatsvinden op 30 juni 2019 en 30 september 2019.

 

De minimumgrens (MinG) en de maximumgrens (MaxG) worden op 30 juni 2019 als volgt berekend:

MinG = het lineair gebruikte waarborgpercentage – 15%;

MaxG = het lineair gebruikte waarborgpercentage + 10%.

 

De minimumgrens (MinG) en de maximumgrens (MaxG) worden op 30 september 2019 als volgt berekend:

MinG = het lineair gebruikte waarborgpercentage – 10%;

MaxG = het lineair gebruikte waarborgpercentage + 5%.

 

Het lineair gebruikte waarborgpercentage is gedefinieerd in het ministerieel besluit, in het ministerieel besluit Waarborgregeling Openbare Werken of in het ministerieel besluit Waarborgregeling Leasingmaatschappijen.

 

Als het totaal van het door de kandidaat-waarborghouders gevraagde bedrag aan waarborgen lager is dan 350 miljoen euro, kan het restant alsnog worden verdeeld onder de kandidaat-waarborghouders volgens de volgende verdeelsleutel. Voor iedere kandidaat-waarborghouder die op een door Waarborgbeheer nv nader te bepalen datum kenbaar heeft gemaakt dat hij een gedeelte van het restant wil ontvangen, wordt het gebruikte waarborgbedrag van de betreffende oproep als volgt berekend: het totale bedrag aan verbintenissen van kmo’s waarvoor door een bepaalde waarborghouder onder de betreffende oproep een formulier B is ingediend, dat PMV/z - Waarborgen nv heeft ontvangen en dat tien dagen voor de verdeling van het restant niet de status ’geweigerd‘ of ’zonder voorwerp‘ heeft. Het restant zal onder de betrokken kandidaat-waarborghouders verdeeld worden in verhouding tot het aandeel van elk van die waarborghouders in het totaal gebruikte waarborgbedrag dat binnen de oproep door de betrokken waarborghouders samen al gebruikt is tot tien dagen voor de datum van de verdeling van het restant.

 

Deel A – aanmeldingen onder het Tweede Waarborgbesluit

Waarborgen binnen deel A van deze oproep kunnen worden gekoppeld aan de hieronder vermelde categorieën van financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen, overeenkomstig artikel 7, §1, van het Tweede Waarborgbesluit:

 

a/ overeenkomsten in het kader waarvan de waarborghouder een krediet voor de financiering van investeringen of activiteiten verleent;
b/ overeenkomsten of eenzijdige wilsverklaringen in het kader waarvan een waarborghouder een persoonlijke zekerheid stelt, met inbegrip van een borgstelling en een autonome garantie, tot zekerheid van de verbintenissen van een kredietnemer, die voortvloeien uit een overeenkomst als vermeld in punt a);
c/ kaderovereenkomsten die een combinatie omvatten van de voorwerpen van overeenkomsten of eenzijdige wilsverklaringen als vermeld in punt a) en b).

Als waarborgen binnen deze oproep gekoppeld worden aan de bovenvermelde financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen, hebben die waarborgen een  maximale geldigheidsduur van tien jaar vanaf de datum van toekenning van een financieringsovereenkomst of andere verrichting.

Waarborgen binnen deel A van deze oproep kunnen ook gekoppeld worden aan de hieronder vermelde categorieën van financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen, overeenkomstig artikel 7/1 van het Tweede Waarborgbesluit in geval van crisis, erkend door de Vlaamse Regering, en als dat door de Vlaamse Regering uitdrukkelijk is bepaald:

d/ financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen die zijn toegestaan met het oog op het herstel of de wedersamenstelling van het bedrijfskapitaal en die bestemd zijn voor de betaling van leveranciersschulden die maximaal twaalf maanden voor de ondertekening van de authentieke akte of, bij ontstentenis daarvan, van de onderhandse akte of andere documenten waarin ze zijn vervat, zijn ontstaan;
e/ financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen die betrekking hebben op bedrijfskapitaal en die zijn toegestaan als een verlenging van een bestaande financieringsovereenkomst of andere verrichting waarvoor al een waarborg werd toegekend vanaf het verstrijken van de duurtijd ervan;
f/ financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen die betrekking hebben op bedrijfskapitaal en die zijn toegestaan als een verhoging van een bestaande financieringsovereenkomst of andere verrichting;
g/ financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen waarvoor al een waarborg werd toegekend met toepassing van hoofdstuk II van het Waarborgdecreet en die worden vervangen door een nieuwe overeenkomst, waarbij de oorspronkelijke risicoverdeling, de duurtijd van de oorspronkelijke waarborg en het waarborgbedrag gelijk blijven;
h/ financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen die strekken tot de verlenging van een financieringsovereenkomst of andere verrichting waarvoor al een waarborg werd toegekend met toepassing van hoofdstuk II van het Waarborgdecreet en niet onder punt e) kunnen worden ondergebracht.

Waarborgen die binnen deze oproep gekoppeld worden aan financieringsovereenkomsten af andere verrichtingen onder punt d), e), f) en h), hebben een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum waarop de financieringsovereenkomst of andere verrichting is toegestaan. Eerdere gewaarborgde periodes van verlenging of verhoging worden meegerekend om de maximale geldigheidsduur te bepalen. Waarborgen die binnen deze oproep gekoppeld worden aan financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen onder punt g), hebben een maximale geldigheidsduur van tien jaar vanaf de datum van toekenning van de financieringsovereenkomst of andere verrichting.

 

De waarborgen die de Vlaamse Regering naar aanleiding van deze oproep zal verlenen, kunnen van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 gekoppeld worden aan financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen die aan de voorwaarden voldoen.

 

De waarborghouder zal, als tegenprestatie voor de naar aanleiding van deze oproep toegekende waarborg, per verbintenis die onder de waarborg wordt gebracht, de volgende premie verschuldigd zijn: 0,5%x A x B.

In die formule wordt verstaan onder:

A = het bedrag, vermeld in artikel 11, §1, 4°, van het Tweede Waarborgbesluit;

B = de duurtijd in jaren, vermeld in artikel 11, §1, 5°, van het Tweede Waarborgbesluit.

 

Het dekkingspercentage, vermeld in artikel 5, §3, van het Waarborgdecreet, bedraagt maximaal 75%.

 

Deel B – aanmeldingen onder het Derde Waarborgbesluit

Waarborgen binnen deel B van deze oproep kunnen worden gekoppeld aan de hieronder vermelde categorieën van financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen, overeenkomstig artikel 7, §1, van het Derde Waarborgbesluit:

a/ overeenkomsten in het kader waarvan de waarborghouder een krediet verleent voor de financiering van het bedrijfskapitaal;
b/ overeenkomsten in het kader waarvan de waarborghouder een krediet verleent voor de herfinanciering van schulden op korte termijn, namelijk de schulden op minder dan één jaar of de schulden die jaarlijks hernieuwbaar zijn, aan Belgische of buitenlandse kredietinstellingen die volgens de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen gerechtigd zijn in België kredieten te verstrekken;
c/ kaderovereenkomsten die een combinatie bevatten van overeenkomsten vermeld in punt a) en b).

Waarborgen binnen deze oproep hebben een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum van de toekenning van een financieringsovereenkomst of andere verrichting. De waarborgen die de Vlaamse Regering naar aanleiding van deze oproep zal verlenen, kunnen van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 gekoppeld worden aan financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen die aan de voorwaarden voldoen.

De waarborghouder zal geen premie verschuldigd zijn voor de naar aanleiding van deze oproep toegekende waarborg.

Het dekkingspercentage, vermeld in artikel 5, §3, van het Waarborgdecreet, bedraagt maximaal 75%.

 

Deel C – aanmeldingen onder het Vierde Waarborgbesluit

Waarborgen binnen deel C van deze oproep kunnen worden gekoppeld aan leasingovereenkomsten, met uitzondering van overeenkomsten betreffende sale-and-lease-backverrichtingen, overeenkomstig artikel 7 van het Vierde Waarborgbesluit.

De waarborgen die naar aanleiding van deze oproep toegekend zijn overeenkomstig artikel 7 van het Vierde Waarborgbesluit, hebben een maximale geldigheidsduur van tien jaar vanaf de datum van de toekenning van een financieringsovereenkomst of andere verrichting.

Waarborgen binnen deel C van deze oproep kunnen ook gekoppeld worden aan de hieronder vermelde categorieën van leasingovereenkomsten, overeenkomstig artikel 7/1 van het Vierde Waarborgbesluit in geval van crisis, erkend door de Vlaamse Regering, en als dat door de Vlaamse Regering uitdrukkelijk is bepaald:

a/ leasingovereenkomsten of andere verrichtingen waarvoor al een waarborg werd toegekend met toepassing van hoofdstuk II van het Waarborgdecreet en die worden vervangen door een nieuwe overeenkomst, waarbij de oorspronkelijke risicoverdeling, de duurtijd van de oorspronkelijke waarborg en het waarborgbedrag gelijk blijft;
b/ leasingovereenkomsten of andere verrichtingen die strekken tot de verlenging van een leasingovereenkomst waarvoor al een waarborg werd toegekend met toepassing van hoofdstuk II van het Waarborgdecreet.

Waarborgen die binnen deze oproep gekoppeld worden aan leasingovereenkomsten als vermeld in punt b), hebben een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de datum waarop de leasingovereenkomst is toegestaan. Eerdere gewaarborgde periodes van verlenging worden meegerekend om de maximale geldigheidsduur te bepalen. Waarborgen die binnen deze oproep gekoppeld worden aan financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen als vermeld in punt a), hebben een maximale geldigheidsduur van tien jaar vanaf de datum van toekenning van de financieringsovereenkomst of andere verrichting.

De waarborgen die de Vlaamse Regering naar aanleiding van deze oproep zal verlenen, kunnen van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 gekoppeld worden aan financieringsovereenkomsten of andere verrichtingen die aan de voorwaarden voldoen.

De waarborghouder zal, als tegenprestatie voor de waarborg die toegekend is naar aanleiding van deze oproep, per verbintenis die onder de waarborg wordt gebracht, de volgende premie verschuldigd zijn: 0,5% x A x B.

In die formule wordt verstaan onder:

            A = het bedrag, vermeld in artikel 11, 4°, van het Vierde Waarborgbesluit;

            B = de duurtijd in jaren, vermeld in artikel 11, 5°, van het Vierde Waarborgbesluit.

 

Het dekkingspercentage, vermeld in artikel 5, §3, van het Waarborgdecreet, bedraagt maximaal 75%.

 

Kandidaatstelling

Financiële instellingen, maatschappijen voor onderlinge borgstelling, leasingmaatschappijen en kredietverlenende vennootschappen voor de sociale economie kunnen zich tot uiterlijk 9 november 2018 kandidaat stellen als waarborghouder bij PMV/z - Waarborgen nv overeenkomstig de voorwaarden, vermeld in artikel 3 van het ministerieel besluit, het ministerieel besluit Waarborgregeling Openbare Werken en het ministerieel besluit Waarborgregeling Leasingmaatschappijen.

Voor meer informatie over deze oproep en over de formaliteiten die vervuld moeten worden, kunt u terecht bij PMV/z - Waarborgen nv, Oude Graanmarkt 63, 1000 Brussel. U kunt ook bellen naar 02 229 52 60, of surfen naar http://www.pmvz.eu/#waarborgen.